woensdag 31 januari 2018

De functies van het strottenhoofd

Waarom gaat zingen niet 'vanzelf'? 


Ik had ooit een leerling die tegen mij zei “ik moet natuurlijk gewoon mijn strot openzetten”. Maar dat gaat niet zomaar, zo gewoon is dat niet. Er zijn namelijk geen spieren in de hals die iets open kunnen zetten. Het strottenhoofd, de luchtpijp, de slokdarm zijn voornamelijk omgeven door spieren die iets dicht kunnen doen. Opengaan is het gevolg van het ontspannen van die spieren. Maar het is ook een heel onbewust gebied. Je kunt niet tegen jezelf zeggen dat je nu je hals gaat ontspannen.
Wat zou het fijn zijn als iedereen kon zingen zoals je leert lopen, fietsen. Je kijkt een paar keer hoe het moet en dan doe je het de rest van je leven zonder na te denken. Maar helaas, leren zingen is een proces van jaren. Veel zangers hebben hun leven lang zangles, of gaan opnieuw op zangles bij het ouder worden. Er moeten dus blijkbaar behoorlijk wat moeilijkheden overwonnen worden. Wat zijn die moeilijkheden dan?

Het strottenhoofd heeft een aantal functies die van levensbelang zijn om te overleven, maar voor conflicten zorgen bij het zingen.

De eerste functie is voedsel weghouden uit de luchtpijp. 
Tijdens het slikken sluit het zachte verhemelte de neus af. De achterkant van de tong zwelt op over de zogenaamde strotklep. Het strottenhoofd komt omhoog en de strotklep zelf sluit het strottenhoofd af. Ook de stembanden sluiten. Dat zijn dus een heleboel sluitreflexen.



Een mens slikt ongeveer 2000 keer per dag. Dit beschermingsmechanisme treedt dus zo vaak op een dag in werking dat het als normale toestand wordt ervaren. Mensen spreken en zingen met een gesloten verhemelte of een tong die aan de achterkant op het strottenhoofd drukt en ervaren dit niet als vreemd. Het zingen zet de keelwanden in trilling, dit trillen kan door het lichaam opgevat worden als bedreiging. Men reageert op alarmsignalen van het lichaam, dat er iets in de luchtpijp dreigt te komen dat daar niet hoort. Dit is de reden dat veel zangers hun keel schrapen voordat ze beginnen of klagen over slijm. Het zijn deze alarmsignalen en overlevingsreflexen die het vrij zingen belemmeren. 

Ten tweede functioneert het strottenhoofd als ventiel: 
Het sluit de longen af, of opent deze, hiermee ontstaat er over- of onderdruk.


  • Overdruk: Als we kracht zetten ontstaat er overdruk onder het strottenhoofd. Het middenrif spant, de valse stemplooien sluiten en de lucht in de longen wordt samengeperst. Zo verkrijgt de romp de stevigheid van een strak opgeblazen ballon. Deze stevigheid is nodig als we iets zwaars willen optillen. Tegelijkertijd worden de interne organen zo beschermd bij een krachtinspanning. Ook bij het kinderen baren en bij de stoelgang moeten we kracht zetten waardoor er eenzelfde overdruk ontstaat. Wanneer mensen aanvallen of zich verdedigen houden ze vaak de adem in. Ook dit zet het overdrukmechanisme in gang.
  • Onderdruk: Bij het inademen ontstaat er onderdruk onder het strottenhoofd. Het middenrif daalt, de ware stemplooien openen zich en de longen vullen zich met lucht. Het hangen aan de armen, zich optrekken en het naar zich toe trekken van voorwerpen activeren deze toestand ook.

In het dagelijks leven overheerst de toestand van overdruk wanneer er veel stress is. Mensen ervaren druk van buitenaf en het lichaam reageert automatisch met tegendruk van binnen. Door de spanning die op de romp komt te staan wordt het moeilijk om laag te ademen (buikademhaling). Stress kan allerlei oorzaken hebben, en bij zangers geven de eigen verwachtingen en angsten rond het zingen extra stress.

Er zijn ook zangtechnieken die de onderdruk vergroten door het bewust spannen en laag houden van het middenrif. Je manipuleert dan de stand van het strottenhoofd (de kleine spieren) met de grote spieren van het middenrif. Is dat echt nodig? In het dagelijks leven reguleert het strottenhoofd de luchtstroom bij het spreken en dat gaat het strottenhoofd prima af. Niemand is bezig met zijn of haar adem tijdens een conversatie, dit is een automatisch proces. De enige plek in het lichaam waar zich tijdens het spreken druk bevindt is onder het strottenhoofd, waar de lucht stroomt. Je neemt wel een klankstroom waar, maar je neemt geen druk waar, want er zijn geen zenuwen in de stemlippen die dat kunnen doorgeven. Via zangtechnieken die de onderdruk vergroten wordt het strottenhoofd kunstmatig laag gehouden door druk te zetten op het middenrif. Hiermee kun je misschien snel aan volume en toonomvang winnen, maar op de langere termijn verstijven de spieren van het stemapparaat, en dus ook de stembanden. Gelukkig is dat niet de enige manier om aan volume en toonomvang te winnen.

De derde functie van het strottenhoofd is het maken van geluid: 
Het strottenhoofd zet lucht om in klank wanneer die langs de stembanden stroomt. Deze functie staat onder druk van de twee eerder genoemde functies (slikken en ventielfunctie), die de resonantieruimten van het zangapparaat dreigen af te sluiten of doen verstijven. Stem geven is in zichzelf een complex gebeuren. Om te kunnen zingen of spreken moeten de stembanden deels sluiten, maar niet volledig. Dat is een hogere kunst dan de twee vorige besproken functies, die vragen dat het strottenhoofd óf helemaal sluit, óf opent. Bij het zingen vertaalt het strottenhoofd de luchtdruk onder de stemlippen in een constante stroom van openen en sluiten. Bij hoge noten moeten de stembanden strak en snel trillen. Het is het strottenhoofd zelf dat de luchtstroom bepaalt. Bij lage noten is de amplitude van de trillingen groter en de frequentie lager. Deze grote variatie aan bewegingen vereist veel flexibiliteit van het strottenhoofd. Met die vrijheid om zelfstandig te trillen reguleert zij de stand van het middenrif en de spierspanning van het hele lichaam. Dit is één van de belangrijkste uitgangspunten van de Lichtenberger Methode.

Bronnen:
Lichtenberger Dokumentationen Band I, Gisela Rohmert, Martin Landzettel, 2015